In een eerder stadium publiceerden we informatie over de mogelijkheid dat een spermadonor onder gunstige voorwaarden iets kan nalaten aan zijn donorkinderen. In opdracht van Priamos heeft Melanie Suarez Estrada, als afstudeeropdracht HBO-Rechten aan de Hogeschool Utrecht, hierover een adviesrapport geschreven.
Het rapport richt zich op de mogelijkheden voor zaaddonoren om vermogen na te laten aan hun donorkinderen binnen het kader van de gewijzigde Successiewet 1956.
Aanleiding voor dit onderzoek is de onduidelijkheid die onder donoren is ontstaan door de wetswijziging per 1 januari 2026. Voorheen werden donorkinderen voor de erf- en schenkbelasting veelal behandeld als derden, waardoor zij fiscaal ongunstiger werden behandeld dan juridische kinderen.
Met de invoering van een nieuw artikel is hierin verandering gebracht, doordat biologische kinderen onder voorwaarden fiscaal kunnen worden gelijkgesteld aan juridische kinderen.
De centrale vraag luidde: welk advies kan Priamos geven aan diens leden over de mogelijkheden om vermogen na te laten aan hun donorkinderen volgens artikel 19 lid 1 sub f en artikel 19 lid 3 Successiewet 1956?
Voor de beantwoording van deze centrale vraag is gebruikgemaakt van een combinatie van juridisch bronnenonderzoek en praktijkonderzoek. In het juridisch bronnenonderzoek zijn wetgeving, jurisprudentie, parlementaire stukken en literatuur bestudeerd.
Daarbij is onder meer onderzocht welke typen donoren in Nederland worden onderscheiden, welke juridische positie zij innemen en welke gevolgen de gewijzigde Successiewet heeft voor het nalaten aan donorkinderen.
Family life
Daarnaast is praktijkonderzoek verricht door middel van interviews met twee donoren. Deze interviews dienden om inzicht te krijgen in de wijze waarop donoren de nieuwe regeling ervaren, welke vragen zij hebben en tegen welke praktische knelpunten zij aanlopen bij het nalaten aan donorkinderen.
Een belangrijk juridisch criterium binnen dit onderzoek is het zogeheten ‘family life’-criterium. Dit criterium, dat voortvloeit uit artikel 8 EVRM, speelde vóór de wetswijziging een centrale rol bij de beoordeling of een biologisch kind voor de erfbelasting gelijk moest worden behandeld aan een juridisch kind.
Uit jurisprudentie bleek echter dat deze toets moeilijk hanteerbaar was, omdat de uitkomst sterk afhankelijk was van de feiten en omstandigheden van het geval. Daardoor bestond voor donoren en donorkinderen onvoldoende rechtszekerheid.
Discriminatieverbod
Directe aanleiding voor de wetswijziging was het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat een biologisch kind, ondanks het ontbreken van een familierechtelijke betrekking, in bepaalde gevallen fiscaal niet anders mocht worden behandeld dan een juridisch kind wanneer sprake was van family life.
Daarbij wees de Hoge Raad op de spanning tussen de toenmalige Successiewet en het discriminatieverbod in samenhang met het recht op eerbiediging van het gezinsleven. De Hoge Raad kon deze ongelijke behandeling echter niet zelf herstellen, omdat het aanpassen van de wet aan de wetgever is voorbehouden.
Als reactie daarop heeft de wetgever artikel 19 lid 1 sub f en lid 3 Successiewet 1956 ingevoerd. Hieruit volgt dat kinderen die niet in familierechtelijke betrekking staan tot hun biologische ouder, onder voorwaarden gelijk worden gesteld met kinderen die wel in familierechtelijke betrekking tot die ouder staan.
Het biologisch ouderschap moet blijken uit een genetische test. Hiermee is in de erf- en schenkbelasting niet langer het family life-criterium doorslaggevend, maar dit objectievere criterium.
Testament
Daarnaast is uit het onderzoek gebleken dat de staatssecretaris van Financiën een hardheidsclausule heeft toegepast voor vergelijkbare gevallen van vóór 1 januari 2026, zodat ook in die situaties onder omstandigheden het lagere tarief en de kindvrijstelling kunnen worden toegepast.
Hoewel de wetswijziging de fiscale positie van donorkinderen heeft verbeterd, volgt uit wetgeving, jurisprudentie en literatuur dat hiermee niet alle juridische belemmeringen zijn weggenomen. Een donorkind zonder familierechtelijke betrekking is namelijk nog steeds niet automatisch erfgenaam op grond van het versterferfrecht. Dit betekent dat een donor zijn donorkind alleen daadwerkelijk iets kan nalaten indien dit uitdrukkelijk in een testament wordt geregeld.

0 Comments