Wij, donoren van eerdere generaties, kunnen jonge mannen niet vertellen of zij wel of geen donor moeten worden. Dit artikel is geen waarschuwing tegen donorschap, maar evenmin een oproep om donor te worden. Wat we wél kunnen doen, is onze ervaringen doorgeven. De lessons learned mogen niet verloren gaan. Daarom deze denkbeeldige brief van een oudere donor aan de jonge man die hij ooit was.
Beste jonge man,
Je staat op het punt spermadonor te worden. Je bent jong, gezond en vruchtbaar. Misschien wil je mensen helpen die zelf geen kinderen kunnen krijgen. Misschien speelt de vergoeding mee of ben je gewoon nieuwsgierig.
Voordat je beslist, wil ik je vragen niet alleen te denken als de jonge man die je nu bent. Stel je ook voor wie je over dertig, veertig of vijftig jaar zult zijn. Maatschappelijke opvattingen over donorschap kunnen veranderen. Een beslissing die vandaag wordt gewaardeerd, kan later kritischer worden beoordeeld. Wees daarom werkelijk overtuigd van een beslissing die je niet meer ongedaan kunt maken.
Er ontstaat ergens een mens
Met jouw sperma kan een kind worden geboren. Waarschijnlijk meer dan één. Voor jou zijn die kinderen nu abstract. Maar zij krijgen een gezicht, een karakter en vragen. Op een dag kan een volwassen man of vrouw tegenover je staan die zegt: “Jij bent mijn donor.” Misschien herken je je eigen ogen, manier van lachen of een karaktertrek waarvan je dacht dat die alleen in jouw familie voorkwam. Je kunt nu niet voorspellen wat dat met je zal doen.
Je kunt bepalen wat donorschap voor jou betekent, maar niet volledig wat jij voor een donorkind zult betekenen. Je hoeft geen vader of opvoeder te worden. Maar je kunt ook niet vooraf bepalen dat je voor dat kind uitsluitend een donor zult zijn.
Ga ervan uit dat je gevonden kunt worden
Anonimiteit is door DNA-databanken en genealogisch onderzoek nauwelijks meer te garanderen. Daarvoor hoef je zelf niet eens DNA af te staan; een familielid kan voldoende zijn om uiteindelijk bij jou uit te komen. Vraag je daarom niet af: Kan iemand mij later vinden? Vraag jezelf af: Wat doe ik als iemand mij vindt?
Denk daarbij ook aan een toekomstige partner en eventuele eigen kinderen. Zij kunnen ontdekken dat er genetische halfbroers en halfzussen bestaan. Maak van je donorschap daarom geen familiegeheim.
Vraag vóór je doneert hoeveel gezinnen en kinderen met jouw sperma verwekt mogen worden, hoe dit wordt geregistreerd, hoe lang sperma wordt bewaard en of het in andere klinieken of landen kan worden gebruikt. Laat je ook later informeren hoeveel kinderen daadwerkelijk uit jouw donaties zijn geboren. Vraag daar zo nodig zelf naar. Eén onbekend donorkind is iets anders dan op latere leeftijd ontdekken dat je tientallen genetische nakomelingen hebt.
Houd vanaf je eerste donatie een donordossier bij
Misschien is dit wel het belangrijkste praktische advies dat ik je kan geven. Maak naast het medische dossier van de kliniek een persoonlijk donordossier voor je toekomstige donorkinderen. Bewaar foto’s van jezelf als baby, kind, puber en jonge man. Leg iets vast over je ouders en grootouders en, met hun instemming, eventueel ook foto’s van hen. Schrijf op wie je bent. Wat voor kind was je? Waar was je goed in? Welke muziek vond je mooi? Deed je aan sport? Was je verlegen, ondernemend, technisch of creatief? Zelfs kleine dingen kunnen later betekenis krijgen: was je links- of rechtshandig, een ochtend- of avondmens, hield je van dieren, kon je uren lezen? Bewaar eventueel een handgeschreven brief, je stem of een korte video.
En schrijf vooral op waarom je donor bent geworden. Niet het antwoord waarvan je denkt dat anderen het graag horen, maar het werkelijke antwoord. Houd ook je medische en familiaire geschiedenis bij. Wat je op je vijfentwintigste over je gezondheid weet, is een momentopname. Een aandoening die pas tientallen jaren later bij jou of in je familie wordt vastgesteld, kan voor donorkinderen belangrijke informatie zijn. Regel ook het beheer en de opslag voor als je er niet meer bent.
Laat zo niet alleen gegevens achter, maar iets van de mens achter de donor.
Verwacht niets van een ontmoeting
Misschien komt die ontmoeting nooit. Misschien blijft het bij één gesprek. Misschien ontstaat langdurig contact. Misschien voel jij onmiddellijk verbondenheid en het donorkind nauwelijks. Of andersom.
Er bestaat geen juiste hoeveelheid verbondenheid. Probeer daarom niet op je twintigste vast te leggen welke relatie je op je zestigste met een donorkind zult willen hebben.
Als je mensen wilt helpen een gezin te krijgen, is dat een mooi motief. Als geld meespeelt, wees daar eerlijk over. Als je het bijzonder vindt dat er kinderen met jouw genen kunnen worden geboren, erken ook dat. Motieven hoeven niet volmaakt of enkelvoudig te zijn. Maar een beslissing waarvan de gevolgen mogelijk langer duren dan je eigen leven verdient meer dan een handtekening onder een toestemmingsformulier.
Dus, jonge man die ik ooit was: als je na dit alles nog steeds donor wilt worden, doe het dan bewust. Bewaar informatie. Houd je medische gegevens bij. Weet hoeveel kinderen er uit je donaties zijn geboren. Vertel je partner en kinderen over je donorschap. En houd ruimte voor de mogelijkheid dat je er over veertig jaar anders tegenaan kijkt dan vandaag.
Voor jou begint het verhaal bij een donatie. Voor het donorkind begint daar zijn of haar leven.
Zorg ervoor dat je, wanneer dat kind vele jaren later contact zoekt, niet hoeft te zeggen:
“Daar heb ik eigenlijk nooit over nagedacht.”
Maar dat je kunt zeggen:
“Ik wist niet wie jij zou worden. Maar ik heb er vanaf het begin rekening mee gehouden dat je op een dag misschien iets over mij zou willen weten.”

0 Comments