Priamos juicht het toe dat staatssecretaris Judith Tielen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) buitenlandse zaaddonatie wil reguleren. Vandaag ontving de Tweede Kamer van haar een brief waarin ze de route aangeeft om dit te realiseren. Onderdeel van haar voornemen is met alle belanggroepen om de tafel te zitten. Ook platform Priamos mag hierbij aanschuiven.
“In 2004 werd er in 21 van de 319 behandelingen met donorsperma gebruik gemaakt van een buitenlandse donor. In 2024 ging het om 1.120 buitenlandse donoren op een totaal van 1.712 behandelingen. Het aandeel behandelingen met buitenlands donorsperma ligt momenteel op ongeveer 65 procent”, schrijft Tielen in haar brief. Ze betrekt hierbij de enorme vraag van wensouders. “Het gebruik van buitenlands donorsperma kan gezien worden als een probleem dat tegelijkertijd een oplossing is voor een ander probleem: het tekort aan donoren in Nederland. De wens of keuze van wensouders om (buitenlands) donorsperma te gebruiken is zeer invoelbaar. Soms is het de enige mogelijkheid om een diepgevoelde kinderwens te vervullen. ( …) Dit mag niet ten koste gaan van de belangen en rechten van het kind.”
Contact donorkind – donor
Vervolgens geeft de bewindsvrouw aan welke negatieve gevolgen dit kan hebben: Allereerst zijn dat de uitdagingen in het contact met donoren: “Hoewel in de Wdkb het recht op afstammingsgegevens is vastgelegd, bestaat er geen wettelijk recht op contact tussen donor en donorkind. De praktijk leert dat veel donorkinderen daar wel (een sterke) behoefte aan hebben. Als het gaat om een buitenlandse donor is er echter geen betrouwbare manier om de van de donor bekende contactgegevens op actualiteit te verifiëren, waardoor het in het geval van verouderde gegevens lastig of onmogelijk kan zijn om met hem in contact te komen. Als het wel lukt om contact te krijgen, is er vaak sprake van een taal- en cultuurbarrière, omdat de donor uit het buitenland doorgaans geen Nederlands spreekt. Daarnaast neemt de kans op daadwerkelijk contact of een ontmoeting af als de donor heel veel nakomelingen heeft. Ook voor de donor geldt immers dat het ruimte maken voor contact of een ontmoeting tijd en energie vergt.”
Sociaalpsychologische belasting
Verder constateert Tielen de zorgelijke sociaalpsychologische belasting van grote verwantschapsnetwerken. “Uit sociaalwetenschappelijk onderzoek blijkt dat het aangaan en onderhouden van contact met halfbroers en halfzussen tijd en emotionele energie kost. Net als in het contact met donoren kan er sprake zijn van barrières door taal- en cultuurverschillen. De voortdurende uitbreiding van het netwerk kan stress en onzekerheid met zich meebrengen, omdat bij elke nieuw gevonden (DNA-)match (tussen donor en donorkinderen of tussen donorkinderen onderling) de groepsdynamiek verandert.
Donorkinderen moeten daarbij steeds opnieuw bepalen hoeveel ruimte zij hebben voor nieuwe contacten en hoe zij omgaan met grenzen, nabijheid en afstand. Het onderdeel uitmaken van een groot verwantschapsnetwerk kan een donorkind het gevoel geven een product te zijn van commerciële belangen, wat van invloed is op de beleving van zijn of haar ontstaansgeschiedenis.”
Cosanguïniteit
Verder waarschuwt de staatssecretaris voor het risico op consanguïniteit: “Als donorkinderen elkaar ontmoeten en niet weten dat ze erfelijk verwant zijn, levert dat een verhoogd risico op erfelijke aandoeningen op als zij nageslacht krijgen. Dit risico op consanguïniteit is vooral reëel als donorkinderen in dezelfde regio leven.
Het risico wordt minder groot als het verwantschapsnetwerk zich uitstrekt over de hele wereld. Gelukkig achten experts het reële risico op consanguïniteit daarom klein.Voor donorkinderen speelt echter ook een psychologisch risico een rol. Als zij afstammen van een donor uit het buitenland weten zij vaak niet hoe groot hun verwantschapsnetwerk zich uitstrekt, en waar hun halfzussen en halfbroers wonen. Zij hebben bijvoorbeeld het gevoel dat ze niet onbevreesd kunnen daten zonder vooraf een DNA-verwantschapstest te doen.”
In het vervolg van de brief bespreekt ze drie op elkaar aansluitende routes waarmee massadonatie als gevolg van het gebruik van buitenlands donorsperma zou kunnen worden tegengegaan. Dat gaat dan om:
Route 1 Regulering via de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal
Route 2 Europese afspraken en regelgeving
Route 3 Samenwerkingstraject gericht op verantwoorde donorconceptie
Samenwerkingstraject
Met betrekking tot die laatste route veronderstelt het ministerie een faciliterende rol te vervullen bij een samenwerkingstraject ter verbetering van de praktijken rond grensoverschrijdende donorconceptie. Hiertoe zal VWS binnenkort de volgende partijen uitnodigen om vanuit ieders rol en verantwoordelijkheid de handen ineen te slaan: de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), fertiliteitsklinieken, spermabanken, Fiom, POINT (beroepsgroep counselors), het Cdkb, de IGJ, en belangenvertegenwoordigers als Stichting Donorkind, Priamos, Freya en Meer dan Gewenst.
Vanzelfsprekend neemt dit platform die uitnodiging graag aan.

0 Comments